Column Agnes: ‘Datazucht in vogelvlucht’

De wereld digitaliseert, en wel in een rap tempo. Twintig jaar geleden was er nog geen internet en tegenwoordig bezit men minstens twee apparaten waarop toegang te krijgen is tot het internet. Het is de industriële revolutie van de 21e eeuw. De welvaart die digitalisering ons heeft gebracht is moeilijk in te schatten, maar is ongetwijfeld enorm. Technologie heeft zich immers inmiddels volledig in onze wereld ingenesteld. Het is daarom ook moeilijk voor te stellen hoe de wereld eruitziet zonder. Ik vraag me soms bijvoorbeeld af hoe ik mijn tijd in Brussel zou hebben overleefd zonder Google Maps. Half aangeschoten naar huis fietsen is toch een stuk moeilijker als er geen applicatie is die je daarbij helpt.

Die digitalisering vraagt ook om een herbezinning van de wet- en regelgeving die van toepassing is. Zo is het kabinet in 1997 al eens begonnen om de wetgeving rondom briefgeheim aan te passen zodat deze ook geldt voor elektronische berichten. Zo snel als digitalisering gaat, zo langzaam echter het parlementaire proces. Na twee mislukte pogingen in 1997 en 2004 is het kabinet in 2017 wederom gestart met een poging van het aanpassen van de Grondwet om ook elektronische berichten onder het briefgeheim te scharen. Dit voorbeeld kenschetst de kwetsbare kant van de snelheid van digitalisering. Een snel veranderende maatschappij vraagt ook om wetgeving die is toegesneden op de moderne maatschappij. Ook in het fiscale domein zie je het gebeuren: de meest recente Commissievoorstellen om digitale omzet te belasten en een digitale vaste inrichting te definiëren zijn een direct uitvloeisel van de digitaliserende samenleving. Snel acteren is voor de wetgever echter lastig – parlementaire processen die onze democratie waarborgen zijn agenda-zettend voor de snelheid, en die is niet altijd even snel als de ontwikkelingen zelf. Dat gegeven geldt overigens niet alleen voor digitalisering, maar voor allerlei soorten ontwikkelingen. Een wetgevingsproces heeft zijn eigen snelheid. Wat nu echter gebeurt is dat de ontwikkelingen zich in een dermate hoog tempo opvolgen, dat de traagheid van het wetgevingsproces zich kan gaan wreken.

Dat het langzaam gaat is overigens ook niet zo gek. We kunnen het zelf nauwelijks nog bijhouden. De digitale maatschappij is in feite een soort black box geworden. We weten niet precies wat het doet en wat voor gevolgen het heeft voor de toekomst (wat voor invloed heeft mobiel gebruik bijvoorbeeld op je kind?), maar tegelijkertijd maken we er allemaal gretig gebruik van. We zijn junkies. Een verontrustende waarheid die eens te meer heel ongemakkelijk blijkt te zijn gezien bijvoorbeeld de schandalen omtrent Facebook. We vinden het enerzijds belachelijk wat voor data bedrijven allemaal van ons bezitten en gebruiken, maar anderzijds klikken we ook massaal op ‘akkoord’ bij de gebruikersvoorwaarden. We hebben geen idee van de gegevens die we allemaal delen, aan wie, hoe vaak en wat ermee wordt gedaan.

Dat we totaal geen weet hebben van deze details, dat is redelijk zorgwekkend. Het is natuurlijk hartstikke mooi dat je een korting kan krijgen op je zorgverzekering doordat deze aan jouw surfgedrag kan zien dat je een gezonde leefstijl hebt, maar het omgekeerde is ook waar en wat minder mooi. Je kan ook juist meer moeten betalen juist vanwege jouw surfgedrag. ‘Dat leidt tot meer efficiëntie’ is dan het tegenargument. En ja, dat is zeker waar en ik vind dat streven ook mooi. Maar het kan wel doorslaan. Op het moment dat die selectiviteit doorslaat brengt dat het gelijkheidsbeginsel in gevaar. Is het bijvoorbeeld terecht dat mensen in de stad meer premie betalen dan in een dorp, of in een bepaalde wijk, of van een bepaalde bevolkingsgroep? Zijn alle mensen met dergelijk onderscheid dan nog gelijk? Het heeft dus een potentieel ontwrichtend effect op het gelijkheidsbeginsel. Ook kan het enorm ingrijpen op je vrijheid; voel jij je nog vrij om te doen en te zeggen wat je wilt als je weet dat er altijd iemand meekijkt? Een redelijk bizar voorbeeld is wetgeving in China waarbij mensen ‘strafpunten’ van de overheid krijgen als ze bijvoorbeeld niet op tijd bij hun ouders op bezoek gaan. Je voelt natuurlijk wel aan hoe dat gecontroleerd kan worden.

Naast dat we weinig tot niets weten van de ‘wat’ en de ‘wie’ over de data die we delen op internet, is de macht van informatie ook nog in handen van een paar grote bedrijven die een informatiemonopolie bezitten. De meest bekende zijn: Facebook, Google, Apple en Amazon. Uiteraard zijn er allerlei kleine spelers op de markt die zich inlaten met jouw data, maar deze giganten hebben een heel profiel van je. Dat profiel is zo sterk dat zij daarmee hun monopolie kunnen behouden en uitbreiden. Monopolies zijn natuurlijk geen noviteit – ook in andere branches zijn er ook bedrijven met een monopolie. Wat ik zelf echter zorgwekkend vind, en dat blijkt met name uit de gelekte stukken van Facebook, is dat deze bedrijven totaal geen moreel besef lijken te hebben over de informatie die ze over mensen bezitten. Wat ze doen en hoe ze het doen is ten behoeve van het business model, en de rest is daar ondergeschikt aan. Het maakt niet uit of het nou resulteert in verkiezingsbeïnvloeding zoals dat in Amerika lijkt te zijn gebeurd, of dat er schoolkinderen op een livestream in elkaar worden geslagen, alles wordt goedgepraat onder de noemer ‘connecting people’. Er wordt geen verantwoordelijkheid gevoeld of genomen voor de faciliterende rol die Facebook speelt in immorele zaken. En dat is vrij stuitend.

Veel van de dingen die ik heb genoemd, heb ik lange tijd geaccepteerd als een gegeven: het uitblijven van geschikte wetgeving, het gebrek aan weet wat voor data wordt verzameld en wat ermee gebeurt, het potentieel ontwrichtende effect op de vrije en gelijke samenleving en de kracht van beïnvloeding plus het monopolie van de tech-giganten. Dit alles heeft mij niet bewogen mijn surfgedrag aan te passen. Ik heb namelijk altijd vertrouwen gehad in de bedrijven. Zoveel vertrouwen dat men veel mocht weten. Dat vertrouwen blijkt onterecht te zijn geweest. Er is geen verantwoordelijkheidsgevoel en zelfs geen moreel besef; en precies deze gebreken hebben mij doen besluiten om afstand te doen van Facebook. Alle voorgaande kwetsbaarheden van digitale diensten die ik noemde zijn relatief op het moment dat een persoon met geweten daar beslissingen over neemt. Dat is helaas niet het geval en daarom zeg ik gedag.

Is dat lastig? Ja, ik wil ook een uitnodiging ontvangen van het volgende verjaardagsfeestje van mijn vriendenclub, maar ik vermoed eigenlijk dat ik die ook zonder Facebook wel krijg. Overigens is het komisch toen ik aankondigde mijn account te verwijderen reageerde bijna iedereen: ‘ik gebruik het bijna nooit, maar heb het nodig voor…’.  Dat vertaal ik vrij naar: ‘ook mij heeft Facebook in zijn tang’.

 

 

No Comments Yet

Comments are closed

Contact
Postbus 1738
3000 DR Rotterdam
(T) 010- 408 14 69
(E) aanslag@christiaanse-taxateur.nl


Sponsors
banner 280 x 60 banner 280 x 60