Dr. H. Vrijburg over ‘Hoe fair zijn financial fair play regels?’

Hoe fair zijn financial fair play regels?140920_032 Vrijburg

De Fiscale Bedrijvendag van de Christiaanse-Taxateur werd georganiseerd in het stadion van voetbalclub Feyenoord en stond in het teken van financial fairplay. Deze term wordt gebruikt door de Europese Voetbal Associatie (UEFA) om regelgeving (hierna FFR) aan te duiden die er voor moet zorgen dat professionele voetbalclubs hun financiën onder controle houden. Kort gezegd: aan voetbal gerelateerde inkomsten moeten in lijn zijn met aan voetbal gerelateerde uitgaven (zie Budzinsky, 2014, voor een uitgebreide bespreking). Inkomsten uit alternatieve bronnen, zoals bijvoorbeeld overmatige financiering door een rijke eigenaar, zijn niet toegestaan. Zodoende ontstaat volgens de UEFA een eerlijke voetbalcompetitie: fair play.

 

In deze bijdrage sta ik stil bij de economische onderbouwing van dergelijke regelgeving. Ik zal uitleggen waarom de economische literatuur over het algemeen sceptisch is ten opzichte van dit voorstel. Na het plaatsen van een aantal kanttekeningen, sluit ik af met een korte reflectie op de toepasbaarheid van deze lessen op het bedrijfsleven in haar algemeenheid in relatie tot de fair share discussie. Op de Bedrijvendag werd financial fairplay namelijk gerelateerd aan de fair share discussie ten aanzien van het betalen van belasting door grote multinationale bedrijven. Belastingontwijking door deze bedrijven, in de rest van dit stuk gelijkgesteld aan base erosion and profit shifting, verlaagt de effectieve belastingdruk ten opzichte van de vaak kleinere ondernemingen waarvoor dergelijke belastingontwijkende constructies niet toegankelijk zijn: oneerlijke concurrentie.

 

Om te beginnen, de markt voor het professionele voetbal is te groot om als een bijzaak weggezet te worden. De Engelse Premier League verkocht onlangs de tv-rechten voor het live uitzenden van voetbalwedstrijden voor een bedrag van 2.3 miljard euro per jaar.[1] Ter vergelijking, de American Football Associatie (NFL) ontvangt ongeveer het dubbele. Dit laatste bedrag geeft misschien een goede indicatie van de inkomsten aan tv-gelden in de totale Europese markt. Dit bedrag zal naar verwachting nog stijgen in de toekomst.[2] Daarnaast ontvangen voetbalclubs geld voor (seizoen)kaarten en directe sponsoring. Deze bedragen suggereren een relatief grote vraag naar het product voetbal.

 

Argumenten vóór de FFR komen vanuit het idee dat de voetbalmarkt niet goed functioneert wanneer er geen regulatie is. Professionele sportcompetities zijn in principe een zero-sum game (zie Völpel,  2011). Elke club probeert extra te investeren om hoger te eindigen, maar er is maar één club die uiteindelijk wint. Clubs houden geen rekening met het negatieve effect van hun eigen investering op de overige clubs. Deze inefficiëntie wordt versterkt doordat de meeste clubbestuurders niet zozeer kijken naar winstmaximalisatie, maar de kans op prijzen willen maximeren. De FFR proberen te voorkomen dat clubs te veel investeren waardoor er financiële problemen ontstaan. Ook voelt het oneerlijk voor clubs, die hun financiën “goed” op orde hebben, om te verliezen van clubs die “gokken” met een grote risicovolle investering.

 

Vanuit de literatuur heb ik echter twee belangrijke argumenten tegen de FFR gevonden. Ten eerste is het van belang om in te zien dat voetbalclubs die vanuit geografisch of historisch perspectief een grote aanhang hebben, en dus potentieel veel inkomsten genereren, over het algemeen uiteindelijk succesvol zijn (Völpel, 2011).  Deze grote clubs komen in het algemeen niet in handen van een rijke eigenaar. Het zijn vooral de “uitdagers” die profiteren van externe financiering. Wanneer de correlatie tussen externe financiering en potentiële omvang van de supportersschare negatief is, wordt de competitie juist interessanter als gevolg van externe financiering (Madden, 2012). Ook de fans van andere clubs profiteren: sportwedstrijden zijn veel leuker om te volgen als er meer spanning is. Stijgende gemiddelde spelerssalarissen als gevolg van externe financiering zorgen volgens Madden verder voor een stijging in het aantal kwalitatief goede spelers in de competitie. Dit is ook gunstig voor de toeschouwer.

 

Dit laatste argument is echter afhankelijk van hoe gevoelig het aanbod van voetbaltalent is voor een stijging in salaris. Voor Europa als geheel geldt dit alleen ten aanzien van de instroom uit (voornamelijk) Zuid-Amerika. Voor het selecte groepje Europese voetballers dat goed genoeg is om in de hoogste divisies te voetballen, is het talent al vrij vroeg bekend. Dit in combinatie met de ruime vergoedingen voor zelfs de subtoppers, en de intrinsieke motivatie om te voetballen, doet mij vermoeden dat het aanbod van talent binnen Europa niet sterk zal stijgen door hogere salarissen aan de top. Een investering van een rijke eigenaar zorgt in dat geval eerder voor een verschuiving van talent naar de club van de eigenaar en een verhoging van salarissen in het algemeen, in plaats van een gemiddelde stijging van de kwaliteit.

 

Tegenstanders van de FFR wijzen er verder op dat er in het professionele clubvoetbal geen voorbeelden zijn van belangrijke voetbalclubs die failliet zijn gegaan (zie Völpel, 2011). Hier kan echter het too-big-to-fail argument uit de literatuur over het reguleren van banken worden toegepast op voetbalclubs.[3] Het failliet laten gaan van een te grote bank geeft te veel schade aan een economie. Dit zorgt ervoor dat de bank altijd gered wordt in geval een faillissement dreigt. Aandeelhouders worden zodoende uit de wind gehouden en zullen te weinig toezicht houden op het functioneren van de bank. Ook het faillissement van een grote voetbalclub zal zorgen voor veel sociale onrust. Dit kan betekenen dat niet zo zeer faillissementen, maar (verborgen) staatssteun het criterium is voor het bestaan van uitwassen. De vraag is of de FFR het beste instrument zijn om dit tegen te gaan.

 

Als de UEFA de efficiëntie van de totale Europese voetbalmarkt echt wil bevorderen, moet het veel verder gaan dan FFR. Om te beginnen wordt de hierboven besproken instabiliteit van sportcompetities bij het voetbal versterkt door het huidige beleid van de voetbalbonden. Winst leidt tot een hoge prijzenpot en toegang tot lucratieve toernooien. Dit vergroot de kans op winst in de toekomst en leidt tot een lange termijn evenwicht met een aantal dominante clubs (zie Völpel, 2011). Wanneer de top te sterk geconcentreerd is, verliest de competitie zijn aantrekkingskracht.  Een competitie zonder tegenstand is niet interessant. De FFR veranderen hier weinig aan.

 

Vanuit het perspectief van de welvaart van alle consumenten in de EU is het verder van belang dat de UEFA (misschien aangespoord door de Europese Commissie) er voor zorgt dat er binnen redelijke geografische afstand van elke consument een topclub kan ontstaan. Dit om het bezoek van een wedstrijd redelijk eenvoudig te maken en de clubcultuur te laten aansluiten bij de “identiteit” van de regio. Algemener gesteld: de verdeling van clubs van elk niveau zou gelijkmatig over Europa moeten zijn. Een agglomeratie van al het talent in één specifieke geografische regio is niet wenselijk. De Europese voetbalmarkt is inefficiënt, doordat er geografische barrières zijn. De FFR zijn niet het geijkte instrument om deze te verzachten.

 

Hoe verhoudt bovenstaande discussie zich tot de fair share discussie omtrent belastingontwijking in het bedrijfsleven? Wat betreft de dynamiek in het concurreren kan ik vrij kort zijn: er zijn weinig overeenkomsten. Daar waar de FFR nodig zijn om de inherente instabiliteit van profvoetbalcompetities te reguleren, zijn dergelijke regels overbodig in het bedrijfsleven. Concurrentie in het bedrijfsleven wordt over het algemeen gezien als iets dat leidt tot een beter functionerende markt. Daarnaast is concurrentie in het bedrijfsleven complex. In veel gevallen concurreren grote ondernemingen niet direct met kleinere ondernemingen. Het concurrentie verstorende aspect van belastingontwijking is daarom misschien niet zo sterk.

 

Waar “excessieve” bestedingen door een rijke eigenaar kunnen leiden tot een welvaartswinst door toegenomen spanning, kan ook belastingontwijking leiden tot een hogere welvaart (zie Vrijburg, 2013, voor een discussie). Belastingontwijking zorgt voor een lagere vennootschapsbelastingdruk wat resulteert in een kleinere economische verstoring: meer investeringen en hogere werkgelegenheid. Ook zorgt afwenteling ervoor dat aandeelhouders de “juiste” effectieve belastingdruk niet volledig zullen dragen.

 

De overeenkomst is dat in beide gevallen de regels deels voort lijken te komen uit een verlangen naar rechtvaardigheid. Een eenduidige definitie van rechtvaardigheid is in beide gevallen echter lastig. In Madden (2012) is de rijke eigenaar een toevallig rijke supporter die wat meer wil bijdragen aan de club dan de gemiddelde supporter. Alle andere supporters kunnen elke week mee profiteren van zijn bestedingen aan voetbal. Waarom is een dergelijke rijke eigenaar niet fair, maar een lucratieve financiële deal met een televisiestation wel? Ook voor belastingontwijking geldt dat rechtvaardigheid lastig te definiëren is. Een grote multinational is niet te vergelijken met een bedrijf uit het midden- en kleinbedrijf, dus horizontale gelijkheid gaat niet op. Ook is het definiëren van een fair share conceptueel lastig: het bronland principe is zeker niet per definitie de juiste verdeling van belastbaar inkomen over verschillende landen (zie Zucman, 2014).

 

In algemene zin zou gesteld kunnen worden dat overheden (inclusief voetbal associaties) niet te veel moeten kijken naar fairness, maar er verstandiger aan doen om met beleid te sturen naar een efficiënt functionerende markt. De onderliggende fundamentele marktverstoringen hebben een veel grotere invloed op de welvaart dan het voorkomen van onrechtvaardig gedrag.

 

In het geval van het bedrijfsleven kan gedacht worden aan het hervormen van de vennootschapsbelasting: verwijder de ongelijke behandeling van vreemd en eigen vermogen, en verlaag de effectieve belastingdruk voor grotere bedrijven: regressief heffen. Dit is goed voor investeringen en werkgelegenheid en voorkomt het opzetten van oneigenlijke ondoorzichtige constructies.

 

Of de FFR uiteindelijk leiden tot een beter functionerende voetbalmarkt is mij niet duidelijk. Er moet zeker wel gecorrigeerd worden voor overmatig spenderen, maar misschien op een slimmere manier dan de FFR doen. Laat clubs een bijdrage doen aan een solidariteitsfonds voor elke euro aan uitgaven. Verdeel dit fonds jaarlijks over alle teams. Verder zijn rigoureuze hervormingen nodig, zoals het opheffen van geografische barrières tussen voetbalcompetities. Alle clubs moeten toegang krijgen tot dezelfde afzetmarkt. Daarnaast zou een voetbal associatie, welke het belang van een goed functionerende voetbalmarkt voor ogen heeft, de gezamenlijke tv inkomsten gelijkmatig verdelen over alle clubs, en niet alleen tussen de winnaars. Beide maatregelen zorgen voor een grotere spreiding van voetbaltalent over Europa. Dit brengt topvoetbal dichter bij de consument en resulteert in een minder voorspelbare competitie.

 

Referenties

Budzinsky, O., 2014, The competition economics of financial fair play, Ilmenau Economics Discussion Paper, No. 85.

Madden, P., 2012, Welfare Economics of ”Financial Fair Play” In a Sports League with Benefactor Owners, EDP Discussion Paper No. EDP-1221.

Völpel, H.,  2011, Do We Really Need Financial Fair Play in European Club Football? An Economic Analysis, CESifo DICE Report No. 3/2011.

Vrijburg, H., 2013, The Effect of ‘Excessive’ Tax Planning and Tax Setting on Welfare: Action Needed?, Erasmus Law Review, Vol. 7, p 13-23.

Zucman, G., 2014, Taxing across Borders: Tracking Personal Wealth and Corporate Profits, Journal of Economic Perspectives, Vol. 28, 121-148.

 

[1] Zie het artikel: “Met topsport komen de kijkers vanzelf,” NRC Handelsblad, 17 februari 2015.

[2] Zie wederom het artikel in het NRC op 17 februari 2015.

[3] Zie Frederik, J., “Voetbal,” De Groene Amsterdammer, 11 juni 2014.

 

Door: H. Vrijburg, Assistant Professor, Erasmus School of Economics, Erasmus University Rotterdam and Tinbergen Institute

No Comments Yet

Comments are closed

Contact
Postbus 1738
3000 DR Rotterdam
(T) 010- 408 14 69
(E) aanslag@christiaanse-taxateur.nl


Sponsors
banner 280 x 60 banner 280 x 60