Thema-artikel: Fair Taxation?

Inleiding
Volgens de legendes stal Robin Hood van de rijken om die buit vervolgens te verdelen onder de armen. Deze herverdeling van inkomen zien we vandaag de dag ook terug in het belastingsysteem. Denk aan inkomensafhankelijke toeslagen zoals de zorgtoeslag. Menig filantroop zal de vele nivellerende fiscale maatregelen toejuichen. De successiebelasting heeft ook een nivellerende werking. Echter is deze belasting bij uitstek een doorn in het oog voor velen, omdat die vaak wordt gezien als een vorm van dubbele of zelfs meervoudige heffing. In dit thema-artikel wordt onderzocht of dat het geval is en zo ja, of dit rechtvaardig is. Eerst wordt een historische schets gegeven, waarna de Successiewet 1956 wordt aangestipt. Vervolgens wordt het thema ‘Fair taxation’ behandeld aan de hand van de fiscale behandeling bij het erven van een landgoed en ondernemingsvermogen.

Historische schets

Keizer Augustus heeft de eerste nalatenschapsheffing ingevoerd in 6 na Christus.[1] In Nederland kennen we sinds 1598 een nalatenschapsheffing. Deze werd ingesteld ter financiering van de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. Aanvankelijk werd de belasting alleen geheven bij het verkrijgen van onroerende zaken krachtens erfrecht. Daarna werd ook de verkrijging van roerende zaken betrokken in de nalatenschapsheffing en vervolgens werd dit verder uitgebreid tot de gehele nalatenschap. Bij de heffing van diverse belastingen – waaronder de successiebelasting – werd in de zestiende eeuw doorgaans gekozen voor feiten die gemakkelijk konden worden vastgesteld aan de hand van uiterlijke kenmerken. Zo werd de waarde van een huis vastgesteld aan de hand van het aantal ramen.

Ordonnantie eener Belasting op het Regt van Successie
In 1805 voerde toenmalig minister van Financiën Gogel de “Ordonnantie eener Belasting op het Regt van Successie” in. Deze ordonnantie had kenmerken van een boedelbelasting. Bij een boedelbelasting vormt het nagelaten vermogen het object van heffing en wordt de erflater als uitgangspunt genomen. Deze erfbelasting werd gezien als eindafrekening over het vermogen, waarover de fiscus geen belasting had kunnen heffen gedurende het leven van de erflater. Immers, in de Bataafse Republiek bestond toentertijd nog geen algemene inkomstenbelasting. De ordonnantie werd opgevolgd door de invoering van de Successiewet 1817. Deze borduurde grotendeels voort op de ordonnantie, maar legde meer nadruk op het aspect van de verkrijging. Tot 1878 waren enkel derden en verwanten vanaf de zijlijn subject van heffing voor de successiebelasting. Sinds 1878 is het subject van heffing uitgebreid naar verkrijgers die direct afstammen van de erflater, naar de ouders en voorouders van de erflater. Het tarief was afhankelijk van de mate van verwantschap: hoe verder je van de erflater af stond, hoe verder het tarief opliep (verwantschapsprogressie).

Dubbele progressie
In 1911 werd een tweede progressie in de successiebelasting ingevoerd, waarbij het tarief opliep naarmate de omvang van de verkrijging groter was. Er was derhalve sprake van een dubbele progressie: enerzijds progressie op grond van de persoon van de verkrijger en diens (familie)band met de erflater, anderzijds een progressie op grond van de omvang van de verkrijging.

Schenkbelasting
De schenkbelasting is in 1917 ingevoerd met dezelfde tarieven als de successiebelasting. Deze belasting moest voorkomen dat de successiebelasting makkelijk kon worden ontweken, door zoveel mogelijk vermogen door te geven gedurende het leven van de erflater.

Successiewet 1956
Op grond van de Successiewet 1956 wordt belasting geheven over rechten van successie, van schenking en van overgang. Wel zijn er enkele vrijstellingen in de wet opgenomen. Met behulp van ‘estate planning’ trachten velen krampachtig binnen die lijntjes te blijven. Zo kan een ouder aan zijn kind tot 5.320 euro vrijgesteld schenken in 2017.[2] Dit komt neer op gemiddeld 443 euro per maand. Daarnaast mogen ouders tezamen één keer een jokerkaart gebruiken voor een vrijgestelde schenking aan hun kind van 100.000 euro, indien dat wordt gebruikt ten behoeve van een eigen woning.[3]

Artikel 24 van de Successiewet 1956 bepaalt dat het belastingtarief tien procent is over het gedeelte van de verkrijging tot 122.269 euro, daarna stijgt het tarief naar twintig procent, voor zover de verkrijger de partner of afstammeling in rechte lijn is. Voor overige gevallen is het eerstgenoemde tarief dertig procent en het tweede genoemde tarief veertig procent. Ondanks enkele vrijstellingen blijft het een flinke hap uit de taart. Een taart waarover vaak wordt gezegd dat de ingrediënten al ten minste één keer onderworpen zijn geweest aan belasting, waardoor velen deze belasting onrechtvaardig vinden.

‘Fair Taxation’
De successiebelasting vindt zijn rechtvaardiging volgens de literatuur voornamelijk in het draagkrachtbeginsel, het profijtbeginsel en het buitenkansbeginsel. Het draagkrachtbeginsel houdt in dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Een toename in de economische draagkracht dient dan ook in de belastingheffing te worden betrokken. Het profijtbeginsel houdt in dat degene die profiteert van overheidsuitgaven, daar ook aan dient bij te dragen. Bij het buitenkansbeginsel gaat het om een voordeel dat zonder inspanning wordt verkregen, waardoor dit voordeel kan worden aangemerkt als buitenkans. Het verkregen voordeel wordt gezien als ‘windfall’ dat een zeer bevoorrechte positie creëert voor de verkrijger, op basis waarvan belasting wordt geheven.
Geen hoffelijke behandeling voor een landgoed

Stel dat je een landgoed erft dat al generaties lang tot het familiebezit behoort. Hoe verhoudt ‘fair taxation’ zich ten aanzien daarvan? De inspecteur stelt in eerste instantie de aangiftetermijn voor de erfbelasting vast, niet eerder dan acht maanden na het overlijden.[4] Indien je onvoldoende liquide middelen hebt om binnen de gestelde termijn de aanslag successiebelasting te betalen, ben je gedwongen om het landgoed te verkopen teneinde uit die verkoopopbrengst de belasting te kunnen betalen. Een tweede optie is om het landgoed te laten kwalificeren als een NSW landgoed, zoals bedoeld in artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928. Indien het landgoed is gekwalificeerd als NSW landgoed, wordt voor de erf- en schenkbelasting het landgoed op de helft van de waarde in het economische verkeer gesteld, mits het landgoed 25 jaar in stand wordt gehouden. Een derde optie voor een NSW landgoed is het openstellen voor publiek. In dat geval wordt de waarde van het landgoed voor de erf- en schenkbelasting op nihil gesteld, mits het landgoed 25 jaar in stand wordt gehouden. Dit klinkt als een redelijke tegemoetkoming, maar de onderhoudskosten voor een landgoed kunnen uitzonderlijk hoog zijn. Probeer dat maar 25 jaar uit te zingen. Indien je het hoofd financieel niet boven water kan houden voor een kwart eeuw met de onderhoudskosten van een landgoed, ondanks een verlaagde erf- of schenkbelasting, zal je je huis dus moeten openstellen voor publiek of moet je het zelfs verkopen.

Ondernemingsvermogen

Opmerkelijk genoeg wordt heel anders omgegaan met de verkrijging van ondernemingsvermogen. Indien ondernemingsvermogen wordt verkregen in het kader van bedrijfsopvolging, kan een vrijstelling van de erf- en schenkbelasting worden verleend van honderd procent, voor zover de totale waarde van het ondernemingsvermogen niet meer is dan 1.063.479 euro. Waarom wordt er zo soepel omgegaan met de verkrijging van ondernemingsvermogen en relatief stroef met de verkrijging van een landgoed? Voor beide objecten geldt dat het voortbestaan voorop staat. Betekent de historische waarde van een landgoed en het in stand houden daarvan dan veel minder dan de instandhouding van een onderneming? Net als bij een onderneming heeft een landgoed doorgaans diverse belanghebbenden.

Conclusie
Gezien het subject van heffing voor de successiebelasting de verkrijger is,[5] vindt ten aanzien daarvan in beginsel geen dubbele heffing plaats. Immers, de begiftigde dan wel de erfgenaam heeft niet eerder belasting betaald over dat voordeel. Maar voor het object van heffing geldt dat daarover gedurende het leven van de erflater of schenker vaak (inkomsten)belasting is betaald. Waarna bij schenking of vererven de verkrijger over een stuk van diezelfde taart successiebelasting dient te betalen. Dit kan neerkomen op dubbele of zelfs meervoudige heffing over hetzelfde belastingobject. Enerzijds wordt dubbele heffing niet ervaren als ‘fair’, anderzijds kan men zich afvragen of dat wel zo is wanneer iemand niets hoeft bij te dragen aan de maatschappij, terwijl hem of haar iets in de schoot wordt geworpen. De opbrengsten van de successiebelasting voor de schatkist zijn zeer gering, namelijk minder dan 0,7% van de totale opbrengst voor 2017.[6] Tegenstanders van de successiebelasting wijzen er vaak op dat de opbrengst voor de staatskas zo laag is, dat die belasting net zo goed kan worden afgeschaft.[7]

Robin Hood richtte zijn pijlen ook op gefortuneerde personen in het kader van herverdeling. Indien de nivellering niet te ver doorslaat, lijkt de successiebelasting niet zo onrechtvaardig als velen trachten aan te voeren, zeker niet in het licht van het draagkrachtbeginsel. Maar ten aanzien van onder meer landgoederen zou een mildere regeling mogen komen. Er wordt enkel een vrijstelling van erf- en schenkbelasting verleend, indien je bereid bent je huis te laten fungeren als museum. Daar komt nog eens bovenop dat je 25 jaar lang het landgoed dient te onderhouden, waar ook een prijskaartje aan hangt. Dit staat in schril contrast met de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten welke in de Successiewet 1956 volledig gefaciliteerd kunnen worden. Is dat nu ‘fair taxation’?

 

Door: Giulia Pichel

Literatuurlijst

Oliemans en Stevens, WFR 2008/577
M.C.J. Oliemans en S.A. Stevens, ‘Is de boedelheffing een goed alternatief voor de successiewet?’, WFR 2008/577.

Schols, Ars Aequi 2012/8
F.W.J.M. Schols, ‘De wonderlijke wereld van het (fiscale) erfrecht’, Ars Aequi 2012/8.

Van Vijfeijken en Gubbels 2016
I.J.F.A. van Vijfeijken en N.C.G. Gubbels, Cursus Belastingrecht Schenk- en erfbelasting, Deventer: Wolters Kluwer: 2016.
Zwemmer 2001
J.W. Zwemmer, De dood als belastbaar feit, Amsterdam: University Press: 2001.

Regelgeving en parlementaire stukken
Memorie van Beantwoording van het Voorloopig Verslag der Commissie van Rapporteurs ‘Regt van successie en van overgang’, Kamerstukken II 1857/58.
Natuurschoonwet 1928 (meest recente versie: wettekst per 25/01/2014)
Nota over de toestand van ’s Rijks financiën, Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 550, nr. 1.
Successiewet 1956 (meest recente versie: wettekst per 01/01/2017)
[1] Zwemmer, 2001.

[2] Artikel 33 aanhef en onder 5 Successiewet 1956.

[3] Artikel 33 aanhef en onderdelen 5 sub c en 7 juncto artikel 33a Successiewet 1956.

[4] Artikel 45 lid 1 Successiewet 1956.

[5] Artikel 5 en 36 Successiewet 1956.

[6] Miljoenennota 2017.

[7] Schols, 2012.

No Comments Yet

Comments are closed

Contact
Postbus 1738
3000 DR Rotterdam
(T) 010- 408 14 69
(E) aanslag@christiaanse-taxateur.nl


Sponsors
banner 280 x 60 banner 280 x 60