Prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk over ‘De overgang van het papieren naar het digitale tijdperk’

Van het papieren naar het digitale tijdperk

 

SONY DSCDe redactie van de Aanslag vond het blijkbaar wel aardig om een emeritus-hoogleraar te vragen het papieren tijdperk uit te luiden. Als je vervolgens hierover gaat nadenken dan moet je constateren dat er in de afgelopen vijfentwintig jaar een stormachtige ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Opgegroeid met het papier en de typemachine maakten wij eind jaren tachtig de overstap naar de computer. In 1985/1986 was ik lid/secretaris van de Commissie Belastingrechtspraak van de Vereniging voor Belastingwetenschap en alle teksten werden nog met de typemachine vervaardigd. Een paar jaar later bij het schrijven van mijn proefschrift werd er gewerkt met de computer, waardoor het aanpassen van teksten een enorme tijdsbesparing opleverde. De ontwikkelingen daarna gingen razendsnel. De mogelijkheden met de computer werden steeds meer uitgebreid, maar ook nieuwe apparatuur kwam op de markt, zoals de laptop, de iPad, de Blackberry, de iPhone en de smartphone. Over enige tijd heb je een ‘digitale-bril’ om mee te werken. Nu zal je die bril toch al op moeten hebben vanwege de versnelde achteruitgang van het leesvermogen van je ogen.

 

Wat betekende deze ontwikkeling voor de universitaire docenten. Het krijtjesbord werd verleden tijd. Nu was ik nooit een fan van het krijtjesbord, want met de rug naar de studenten staan past niet. Gelukkig was er de overheadprojector. Jarenlang heb ik rollen vol geschreven en zo een bijdrage geleverd aan de milieuvervuiling. Voor zover mij bekend werden deze rollen niet gerecycled. Als grootverbruiker van de overheadprojector had ik verwacht dat de universiteit na mijn afscheid ook afscheid genomen zou hebben van deze apparaten, maar naar ik heb vernomen staan zij er nog steeds. Slides en PowerPointpresentaties voor hoorcolleges waren niet mijn ding. Tot verrassing van velen gebruikte ik vorig jaar bij mijn afscheidscollege toch een paar slides, maar dat was alleen om bij mijn dankwoord een paar foto’s te kunnen tonen. Anders dan in het verleden is het nu gangbaar om voor het college slides op het internet te plaatsen en de literatuur die daarbij hoort. Men gaat er dan vanuit dat ‘de student’ zich voorbereidt op het college. In mijn tijd waren dat uitzonderingen en het lijkt mij sterk dat dit nu anders is. Naar mijn overtuiging moet niet de PowerPointpresentatie leidend zijn bij het hoorcollege, maar de kwaliteit van het gesproken woord van de docent. Boekenwijsheid is mooi, maar beter is de fine-tuning die een docent door het hoorcollege aan die boekenwijsheid kan toevoegen.

 

Het is voor mij nooit een probleem geweest als studenten geluidsopnamen maakten van het hoorcollege of met een laptop een verslag van het hoorcollege maakten. In NRC van 27 november 2014 stond een verhaal onder de kop “Kom zonder laptop naar college”. De docenten van de afdeling Communicatie- en informatiewetenschappen van de Universiteit van Utrecht menen dat studenten meer van het hoorcollege opsteken als zij met pen en papier naar het hoorcollege komen en zij vroegen de studenten hun laptop niet meer mee te nemen naar het hoorcollege. De reden daarvoor zou zijn dat uit wetenschappelijk onderzoek zou blijken dat studenten die werken op de ‘ouderwetse manier’ beter leren: wie schrijft onthoudt de stof beter. Op zich is dit laatste waar, want het lezen van de samenvatting van een boek van een ander levert niet hetzelfde rendement op als wanneer je zelf de samenvatting maakt.

 

Maar werken met een laptop is ook schrijven, alleen niet meer met de pen maar met een geavanceerder technisch hulpmiddel. Wanneer de student in staat is om aandachtig het hoorcollege te volgen en tegelijkertijd een verslag daarvan te ‘schrijven’ op de laptop zie ik het probleem niet. Iets anders is het dat de docent zit aan te kijken tegen een batterij schermen van laptops en het contact met de studenten verliest en er geen interactie meer mogelijk is tussen docent en studenten. Informatie doorgeven van de docent is één ding van het hoorcollege, maar communicatie moet wel mogelijk blijven.

 
De Utrechtse noodkreet gaat in tegen de ontwikkeling naar een digitale leeromgeving voor studenten. Een paar jaar geleden is de Rotterdamse rechtenopleiding begonnen met een digitale leeromgeving. Al het studiemateriaal wordt digitaal aangeboden en er is een digitaal studieplatforum, het zgn. LawWeb. Elke nieuwe ontwikkeling kent kinderziektes en roept nieuwe problemen op zoals plagiaat en fraude. Daar moet men alert op zijn. Maar een papieren leeromgeving vervangen door een digitale hoeft geen probleem te zijn, zolang er nog steeds kwalitatief goede hoorcolleges verzorgd blijven worden en het niet alleen gaat om een vervanging van de boekenwijsheid door een ‘digitale wijsheid’.
Het LawWeb dat de rechtenfaculteit ofwel de Rotterdam School of Law heeft geïntroduceerd betekent meteen dat uitgevers genoodzaakt zijn het studiemateriaal digitaal aan te leveren. Nu hebben de afgelopen jaren uitgevers als Kluwer en SDU al flink gewerkt aan de omzetting van papieren uitgaven naar digitale uitgaven. Maar alle studieboeken waren nog niet digitaal beschikbaar.

 

Jarenlang hebben uitgevers veel geld verdient aan met name losbladige uitgaven. Ik kan mij nog herinneren dat toen ik begon met werken in de belastingadviespraktijk op elke kamer een batterij vakstudies stonden. Deze losbladige serie moest vervolgens continu worden bijgehouden, hetgeen monnikenwerk was. Aan die supplementen werd echter het grote geld verdiend. Ruim vijfendertig jaar geleden ging het toenmalige Moret Gudde Brinkman, de voorganger van EY, over tot het jaarlijks aanschaffen van nieuwe banden, zodat het invoegwerk achterwege kon blijven. Kluwer was daar niet van gecharmeerd. Thans vijfendertig jaar later is het losbladige boekwerk aan het uitsterven. Ik ben zelf nog verbonden aan twee losbladigen, nl. Rechtspersonen en Pensioen en andere toekomst voorzieningen. In begin 2015 zal voor het laatst nog papieren supplementen worden gemaakt, daarna zijn deze uitgaven alleen nog digitaal beschikbaar. Ook het werken als auteur aan dergelijke uitgaven verandert. Er moet voortaan in een digitale omgeving met zgn. creator gewerkt worden, waardoor de verwerking van de wijzigingen sneller verloopt en de klant veel sneller dan vroeger op de hoogte is van de laatste wijzigingen. Het dwingt de auteur om anders en sneller te werken dan vroeger. Het gevolg is dat je nu oudere auteurs ziet afhaken. Het is te hopen dat jongere fiscalisten bereid zijn mee te werken aan deze digitale uitgaven. Het probleem zit niet in de digitale werkomgeving, maar meer of zij bereid zijn naast hun dagelijkse werk auteurswerk te verrichten. Zowel docent- als auteurswerk is zeer leerzaam. Het is een extra stimulans om jouw vakkennis up-to-date te houden en te verdiepen.

 
Ook de overheid is bezig met een digitale inhaalslag. De regering heeft als ambitie uitgesproken dat burgers en bedrijven in 2017 al het verkeer met de overheid digitaal moet kunnen afdoen (zgn. Digitaal 2017). Van belang hierbij is dat de overheid hiermede een bezuinigingsresultaat van zo’n 4 miljard euro hoopt te realiseren. Probleem is echter dat vele ICT-projecten bij de overheid mislukken. De kosten komen veel hoger uit dan geraamd en de besparingen blijken veel lager uit te komen. Het rapport van de parlementaire ICT-commissie getuigt daarvan. Wanneer naast een gebrek aan kennis ook nog de bezuinigingsdoelstelling bepalend wordt bij het ICT-project dan is een mislukking voor de hand liggend. Daarnaast neemt de overheid het niet zo nauw met de veiligheid en de privacy. Het Hof van Justitie EU moest onlangs duidelijk maken dat het bewaren van metadata voor een termijn tussen zes en twaalf maanden in strijd is met de Europese privacyregels. Nog steeds wenst minister Opstelten geen gehoor te geven aan deze uitspraak. Het is juist de overheid die zo veel mogelijk gegevens van haar burgers wilt verzamelen en bewaren en dit allemaal onder het mom van voorkomen, opsporen en vervolgen van ernstige criminaliteit. Big brother is watching you, maar de overheid dient wel het goede voorbeeld te geven bij de bescherming van privacy, een van onze grondrechten.

 
Ook de Belastingdienst vertoont hetzelfde gedrag. Naast de vele gegevens die de Belastingdienst al verkrijgt via papieren dan wel digitale aangiften en via internationale gegevensuitwisseling wil men nog meer gegevens in handen zien te krijgen ook onder het mom van fraudebestrijding. Een fraai voorbeeld daarvan is de strijd die gaande is inzake de metadata van parkings om zo na te gaan of leaserijders meer dan 500 km privé rijden.

 
In 2014 heeft het Maandblad Belastingbeschouwingen in twee nummers (juli-augustus en september) uitgebreid stil gestaan bij het thema Digitale overheid en fiscaliteit. Daarbij kwamen vele onderwerpen aan de orde, zoals hoe heeft de Belastingdienst in de afgelopen 20 jaar invulling gegeven aan het elektronische berichtenverkeer en hoe gaat dat de komende jaren verder, hoe verloopt het vertaalproces van wettekst naar webtekst en wat betekent dit voor de burger. Het verkeer met ondernemers verloopt al enige jaren volledig elektronisch. Als het gaat om belastingplichtigen niet-ondernemers dan leveren op dit moment ongeveer 95% van de belastingplichtigen hun aangiftebiljet inkomstenbelasting digitaal aan. Dat betekent dat ongeveer 500.000 belastingplichtigen nog de papieren aangifte gebruiken. Duidelijk is dat de Belastingdienst ook deze groep zo snel mogelijk aan het digitale infuus willen leggen. Bij de aangiftecampagne 2013 werd in een brief duidelijk gemaakt dat digitaal aangifte doen de norm is en dat men verwachtte dat de burger daarin mee zou gaan. Over nudging gesproken!

 
In het wetsvoorstel Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst (kamerstuk 33714) werd eigenlijk uitgegaan van uitsluitend elektronisch berichtenverkeer tussen Belastingdienst en burger, waarbij het aan de staatssecretaris van Financiën wordt overgelaten om bij ministeriële regeling de uitzonderingen te bepalen. Voor hen die gewend zijn aan de digitale wereld is een overheidsberichtenbox met zijn portaal mijnbelastingdienst.nl geen enkel probleem. Maar er zijn groepen burgers die de mogelijkheden niet hebben c.q. digitaal niet vaardig zijn. Het gaat dan vooral om de ouderen en zoals onlangs bleek de verstandelijk gehandicapten. Naast de groep van 500.000 belastingplichtigen met de papieren aangifte is er nog een groep die alleen met de hulp van derden digitaal aangifte doet en waarbij het portaal mijnbelastingdienst.nl niet de oplossing is. Dit voorjaar heeft staatssecretaris Wiebes aangegeven najaar 2014 te komen met aanpassingen van dit wetsvoorstel. In december 2014 was echter nog niets bekend. Het is overigens de laatste tijd schering en inslag dat de overheid beloftes doet, maar zich niet houdt aan de gestelde termijn.

 
Digitaal 2017 is een ambitieniveau, waarbij men rekening moet houden dat voor bepaalde groepen de transitie naar een digitaal berichtenverkeer te snel gaat en dat die groepen de mogelijkheid moeten houden om van het papier gebruik te blijven maken. Een goed voorbeeld daarvan is de komende digitalisering van de rechtspraak, waarbij burgers het recht houden als zij zelf procederen om van het papier gebruik te blijven maken. Hopelijk volgt Wiebes dit goede voorbeeld.

 

Ik ga er echter vanuit dat de lezers van De Aanslag geen digibeten zijn, zodat voor hen de overstap naar een digitale Aanslag geen probleem hoeft te zijn. Ik wens de redactie en lezers veel succes met De Aanslag in het digitale tijdperk.

 

Door: Prof. mr. drs. H.P.A.M. van Arendonk

No Comments Yet

Comments are closed